Dutch » German

Translations for „huis“ in the Dutch » German Dictionary (Go to German » Dutch)

huis <huizen> [hœys] N nt

1. huis (gebouw als woning):

huis
Haus nt
huis aan huis gaan
huis aan huis wonen
dat is [o. staat] zo vast als een huis
een tweede huis

huis-tuin-en-keu·ken- [hœystœynɛŋkøkə(n)]

huis-tuin-en-keuken-
Feld-Wald-und-Wiesen-

Choose your language Deutsch | English | Español | Italiano | Polski