Dutch » German

del·ving N f geen pl

der·ving <derving|en> [dɛrvɪŋ] N f

1. derving (gemis):

2. derving econ.:

deur·klink <deurklink|en> [dørklɪŋk] N f

ha·vik <havik|en> [havɪk] N m

1. havik (vogel):

2. havik (begerig mens):

Habgierige(r) f(m)

3. havik pol. (oorlogszuchtig mens):

Falke m

deu·ken1 <deukte, i. gedeukt> [døkə(n)] VB intr (deuken krijgen)

deun <deun|en> [døn] N m

2. deun (afgezaagde wijs):

de·vies <deviezen> [dəvis] N nt

1. devies (zinspreuk):

Devise f

2. devies (waardepapieren) pl:

Devisen pl

deug·niet <deugniet|en> [døxnit] N m

1. deugniet (slecht mens, nietsnut):

2. deugniet (ondeugende jongen):

deug·de·lijk <deugdelijke, deugdelijker, deugdelijkst> [døɣdələk] ADJ

2. deugdelijk (van goede kwaliteit):

solid(e)

Choose your language Deutsch | English | Español | Italiano | Polski