Dutch » German

va·le·ri·aan <valeri|anen> [valer(i)jan] N f

val·len1 <viel, i. gevallen> [vɑlə(n)] VB intr

5. vallen (los neerhangen):

6. vallen (zich voordoen):

val·lei <vallei|en> [vɑlɛi] N f

Tal nt

va·lu·ta <valuta|'s> [valyta] N f

1. valuta (geldig betaalmiddel):

Landes-/Fremdwährung

2. valuta (deviezen):

Valuta f

val·kuil <valkuil|en> [vɑlkœyl] N m

1. valkuil (gecamoufleerde kuil):

2. valkuil fig:

val·se·rik <valserik|en> [vɑlsərɪk] N m

vals·heid <vals|heden> [vɑlshɛit] N f

1. valsheid (het vervalst, onecht zijn):

3. valsheid (oneerlijkheid):

4. valsheid (boosheid):

Wut f

val·strik <valstrik|ken> [vɑlstrɪk] N m

1. valstrik fig (hinderlaag):

Falle f

2. valstrik (strik om iets mee te vangen):


Choose your language Deutsch | English | Español | Italiano | Polski